Leerlingstatuut

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Leerlingenstatuut

Praktijkschool De Sprong

 

Vastgesteld Managementteam De Sprong april 2013

Advies Medezeggenschapsraad april 2013

Vastgesteld CvB 13-05-2013

 

 

 

 

 

Leerlingenstatuut Praktijkschool De Sprong

 

 

 

De directeur van Praktijkschool De Sprong, overwegende

- dat bij wet van 29 januari 1993 artikel 24g aan de Wet op het Voortgezet Onderwijs is toegevoegd, waarbij het bevoegd gezag verplicht wordt gesteld een leerlingenstatuut vast te stellen

- dat het bevoegd gezag verplicht is tenminste elke twee jaar de rechten en plichten van de leerlingen in een statuut vast te leggen

- dat de Medezeggenschapsraad van De Sprong haar positief advies aan het statuut heeft verleend, besluit

I vast te stellen het Leerlingenstatuut De Sprong 2013-2015

II in te trekken leerlingenstatuut voor De Sprong 2010-2012

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepaling

Dit leerlingenstatuut verstaat onder:

1. School: Praktijkschool De Sprong;

2. Bevoegd gezag:  Stichting Respont;

3. Leerlingen: leerlingen die op de school staan ingeschreven;

4. Ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerlingen;

5. Schoolleiding: het managementteam van de school, onder eindverantwoordelijkheid van de directeur;

6. Personeel: het aan de school verbonden onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel;

7. Docenten: leden van het personeel die een onderwijstaak vervullen.

8. Geleding: alle leerlingen, alle ouders of al het personeel.

9. Medezeggenschapsraad: de raad als bedoeld in art. 3 van de Wet

Medezeggenschap Scholen (WMS);

10. Leerlingenraad: een geledingenraad, samengesteld uit en door de leerlingen;

11. Leerplan-lesrooster: de schooldocumenten als bedoeld in art. 24 van de WVO.

12. Inspectie: de inspecteur die belast is met het toezicht op het voortgezet onderwijs als bedoeld in art. 113 van de WVO;

13. Proefwerken en repetities: van tevoren opgegeven toetsen, die leerlingen thuis kunnen voorbereiden;

14. Directeur: Hij of zij die benoemd is als directeur van de school;

 

Artikel 2 Leerlingenstatuut

1. Dit leerlingenstatuut legt de rechten en verplichtingen van de leerlingen vast, die staan ingeschreven op praktijkschool De Sprong en bevat tevens de daaruit voortvloeiende opdrachten aan de andere geledingen en aan het bevoegd gezag.

2. Het statuut is bindend voor alle geledingen, met inachtneming van de bepalingen in het medezeggenschapreglement en alle wettelijke bepalingen.

3. Het bevoegd gezag legt tenminste elke twee jaar een voorstel voor aan de

medezeggenschapsraad voor een leerlingenstatuut.

4. Tussentijdse wijziging van het leerlingenstatuut is mogelijk. Het bevoegd gezag legt elke wijziging van dit statuut voor aan de medezeggenschapsraad.

5. Het leerlingenstatuut wordt binnen de school zo gepubliceerd dat iedereen er

kennis van kan nemen, onder meer via de website.

6. Elke nieuwe leerling van de school wordt gewezen op dit statuut.

7. Bij wijziging van het statuut worden alle leerlingen daarvan op de hoogte gebracht.

 

Artikel 3 Gelijkheidsbeginsel

Allen die deel uit maken van praktijkschool De Sprong worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, seksuele geaardheid, ras, burgerlijke staat of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

 

 

 

 

 

 


Hoofdstuk 2 Grondrechten

 

Artikel 4 Recht op informatie

1. De schoolleiding draagt er zorg voor, dat voorafgaand aan de inschrijving aan de leerling en de ouders algemene informatie wordt verstrekt over de doelstelling, het onderwijsaanbod en de werkwijze van de school, de toelatingseisen, de cursusduur, de mogelijkheden voor arbeidstoeleiding of vervolgonderwijs, de eventueel aan de toelating verbonden kosten, en over andere zaken die van direct belang zijn voor de toekomstige leerling.

2. Een exemplaar van het leerlingenstatuut ligt voor de toekomstige leerlingen ter inzage bij de administratie.

3. De schoolleiding draagt er zorg voor, dat er exemplaren van het schoolplan,

van het lesrooster, van het medezeggenschapsstatuut en -reglement en van

de andere reglementen die voor de leerlingen belangrijk zijn ter inzage liggen

bij de administratie.

4. Een leerling kan met de leden van het managementteam een afspraak maken voor een gesprek. Hierin kunnen in principe alle vragen worden gesteld die betrekking hebben op het functioneren van die leerling binnen de school.

5. Het managementteam kan regels opstellen voor het gebruik van het Internet en van

e-mail door leerlingen op school, waar leerlingen zich aan dienen te houden. Deze regels worden vermeld in een ICT-protocol, dat voor leerlingen ter inzage ligt bij de administratie. De belangrijkste regels uit dat protocol worden vermeld in de Schoolgids, met een verwijzing naar het protocol en naar dit statuut.

 

 

Artikel 5 Recht op privacy

1. Er is op school een leerlingenregister, waarvoor het privacyreglement van de school geldt.

2. In het leerlingenregister zijn de volgende gegevens opgenomen:

a. persoonlijke gegevens:

* naam. voornamen en roepnaam;

* woonplaats. adres en telefoonnummer;

* geboorteplaats en -datum;

* geslacht;

* nationaliteit;

* bij uit het buitenland afkomstige leerlingen, datum aankomst in Nederland;

* voor de school relevante medische gegevens van de leerling;

* naam, adres, telefoonnummer en eventueel e-mailadres van de ouders/verzorgers

* beroep van ouder(s)/verzorger(s);

* gezinssamenstelling en plaats van het kind in het gezin;

* naam huisarts en telefoonnummer;

* bank-/gironummer;

* onderwijsnummer (BSN-nummer)

b. schoolgegevens:

* datum van inschrijving;

* school van herkomst;

* gegevens over studievorderingen, leerstoornissen, eindexamenresultaten;

* gedateerde weergave van gesprekken met ouders/leerlingen (waarbij

  vertrouwelijke informatie summier wordt weergegeven);

* kopieën van brieven aan ouders/leerlingen;

* testgegevens;

* vakkenpakket of examenpakket;

* duplicaten van behaalde certificaten;

* tijdstip van verlaten school en reden daarvan;

* adres bij het verlaten van de school en zo mogelijk vervolgadressen.

c. overige:

* gegevens die voor het verkrijgen van faciliteiten voor de leerling onmisbaar

  zijn.

3. Het leerlingenregister is slechts toegankelijk voor:

* de desbetreffende leerling en indien deze minderjarig is ook de ouders;

* de docenten en de mentor van de desbetreffende leerling;

* de interne begeleider

* de leden van het managementteam;

* het bevoegd gezag;

* de inspecteur;

* daartoe door het Rijk aangewezen personen met het oog op de financiële

controle.

4. Gegevens uit het register worden niet zonder toestemming van de leerling of diens rechtsvertegenwoordiger aan andere personen of instanties doorgegeven.

5. Wanneer informatie over gedrag en/of schoolresultaten aan de ouders worden

doorgegeven wordt de leerling zo mogelijk daarvan vooraf op de hoogte gebracht.

6. Indien zou blijken dat enige bepaling van dit artikel strijdig zou zijn met de wet op de privacy wordt deze bepaling niet toegepast.

 

Artikel 6 Vrijheid van vergadering

1. Leerlingen hebben vrijheid van vergadering. In overleg met de schoolleiding worden afspraken gemaakt over de tijd en plaats van een vergadering, als deze in de school en/of onder schooltijd plaatsvindt.

2. De leerlingen zijn verplicht een ter beschikking gestelde ruimte op een behoorlijke manier te gebruiken en achter te laten, dit ter beoordeling van de schoolleiding.

3. De leerlingen zijn aansprakelijk voor eventueel in de ter beschikking gestelde ruimte aangerichte schade.

 

Artikel 7 Vrijheid van meningsuiting

1. Er is een, eventueel elektronisch, mededelingenbord, waarop leerlingen,

leerlingenraad en andere leerlingenorganisaties, in overleg met de afdelingsleider(s) en/of directeur, mededelingen van niet-commerciële aard kunnen ophangen. Deze mededelingen mogen niet kwetsend zijn voor anderen, dan wel in strijd zijn met het bepaalde in artikel 3.

2. Op het mededelingenbord worden tevens besluiten van de vergadering van de

schoolleiding en andere informatie of maatregelen die betrekking hebben op de rechten en plichten van leerlingen gepubliceerd.


 

Artikel 8 Recht op medezeggenschap

1. Het bevoegd gezag bevordert de totstandkoming van een leerlingenraad op

de school. Het bevoegd gezag bevordert het functioneren van de leerlingenraad.

2. Taken, bevoegdheden, samenstelling, kandidaatsteling, verkiezing en werkwijze worden vastgelegd in het reglement van de leerlingenraad. De verkiezing van de voorzitter, de secretaris en de vertegenwoordiger in de MR wordt daarbij georganiseerd door de locatieleiders. Ook de stemverhoudingen binnen de leerlingenraad worden in genoemd reglement vastgelegd.

3. De leerlingenraad is bevoegd gevraagd of ongevraagd advies uit te brengen aan de directie en/of de MR, in het bijzonder over die aangelegenheden, die de leerlingen in het bijzonder aangaan.

4. Activiteiten van de leerlingenraad kunnen, wanneer niet anders mogelijk en na

voorafgaande toestemming van de schoolleiding, tijdens lesuren plaatsvinden.

5. Afdelingsleiders kunnen als adviseur de vergaderingen van de leerlingenraad bijwonen. 

6. De leerlingenraad kan de noodzakelijke kosten die voortvloeien uit de taken

en functies van de leerlingenraad in het kader van de medezeggenschap  declareren bij de schoolleiding.

7. De leden van de leerlingenraad mogen, vanwege hun lidmaatschap van deze raad, op

geen enkele manier benadeeld worden in hun positie op school.

8. Over niet in art. 7 van de WMS genoemde aangelegenheden kan de leerlingenraad gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan de MR, de schoolleiding en het bevoegd gezag.

9. De MR van de school streeft ernaar een leerlingengeleding te hebben, conform het reglement van de MR. Wanneer geen van de leerlingen bereid blijkt vrijwillig zitting in de MR te nemen, zal de leerlingenplaats worden waargenomen door een lid van de oudergeleding;

10. De leden van de leerlingengeleding van de MR mogen, vanwege hun lidmaatschap van de raad, op geen enkele manier benadeeld worden in hun positie op school.

 

Artikel 9 Ongewenste intimiteiten

Er is een klachtenregeling voor leerlingen met betrekking tot ongewenste intimiteiten en seksuele intimidatie. ledere leerling wordt daarvan jaarlijks door middel van de schoolgids, via een zorgbrochure en/of door communicatie via de mentor op de hoogte gesteld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Hoofdstuk 3 Het onderwijs: toelating, bevordering, inhoud afsluiting

 

Artikel 10 Toelating en bevordering

1. De Sprong is toegankelijk voor alle leerlingen. Discriminatie (ook) bij de toelating, wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, seksuele geaardheid of op welke grond dan ook is niet toegestaan.

2. Aan de toelating worden wettelijke eisen gesteld ter vergaring van een zgn.                  

          Praktijkonderwijsbeschikkking, noodzakelijk voor toelaatbaarheid.

3. De schoolleiding beslist over de toelating.

4. Een besluit tot weigering van toelating wordt schriftelijk en met opgave van redenen aan de betrokkene en, als deze minderjarig is, ook aan de ouders/ verzorgers meegedeeld, waarbij ook de mogelijkheid van beroep wordt vermeld.

5. Binnen 30 dagen kan een herziening van een besluit tot weigering van toelating worden aangevraagd door de leerling of, bij minderjarigheid, door de ouders bij het bevoegd gezag. Op dit verzoek wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 30 dagen beslist, na overleg met de Inspectie. Er wordt pas beslist nadat de leerling c.q. de ouders gehoord zijn en inzage hebben gehad in de betreffende adviezen en rapporten.

6. In het schoolplan wordt informatie gegeven over de normen op grond

waarvan toelating tot het eerste leerjaar plaatsvindt en de toelatingsvoorwaarden.

7. De schoolleiding beslist, op advies van docentenvergadering dan wel deelvergadering,                        afhankelijk van de daartoe vastgelegde taakverdeling, over de bevordering van een          leerling tot het volgende leerjaar.

 

Artikel 11 Kosten van het onderwijs

1. Aan de ouders van leerlingen, dan wel bij meerderjarigheid aan de leerlingen zelf, wordt jaarlijks een vrijwillige financiële bijdrage gevraagd overeenkomstig een door de directie opgestelde regeling.

2. Deze regeling wordt door het bevoegd gezag vastgesteld in overeenstemming met de Gedragscode Schoolkosten en met instemming van de oudergeleding van de medezeggenschapsraad.

3. Leerlingen of hun ouders kunnen slechts verplicht worden tot aanschaf van

leer(hulp )middelen als die noodzakelijk zijn voor het onderwijsprogramma,

zoals dat in het schoolplan en de schoolgids is opgenomen.

4. De schoolleiding draagt er zorg voor dat de kosten van deze middelen zo laag

mogelijk worden gehouden.

5. Voor leerlingen of ouders die om financiële redenen de kosten van de

leer(hulp )middelen of van bepaalde onderwijsactiviteiten waaraan kosten zijn

verbonden (werkweken, excursies e.d.) niet kunnen opbrengen, probeert de

          schoolleiding een regeling te treffen.

 

Artikel 12 Inhoud van het onderwijs

1. De leerlingen hebben er recht op dat de docenten zich inspannen om goed onderwijs te geven, overeenkomstig het vastgestelde schoolplan en het lesrooster.

2. De leerlingen zijn verplicht zich in te spannen om het onderwijsproces goed te laten verlopen.

3. Leerlingen hebben het recht altijd aan de school advies te vragen over de te

volgen schoolloopbaan.

4. Dat advies wordt door de school altijd op eigen initiatief uitgebracht.

5. De school baseert dit advies op cijferresultaten, testgegevens, observaties door en inzichten van de docenten en eventuele externe deskundigen, en eerdere carrièregegevens.

6. Het schooladvies wordt in het ontwikkelplan en in het leerlingdossier vermeld als uitstroomprofiel.

 

Artikel 13 Huiswerk

1. Leerlingen hebben de plicht het aan hen opgegeven huiswerk te doen.

2. Leerlingen hebben er recht op dat huiswerk besproken wordt.

3. Verder gelden de regels die in de schoolgids zijn opgenomen.

 

Artikel 14 Toetsing en beoordeling

1. a. Een proefwerk is een schriftelijke overhoring over een afgeronde

hoeveelheid leerstof, waarvan het cijfer meetelt voor het rapport.

b. Proefwerken en repetities worden tijdig, in elk geval een week van te

voren, en na overleg met de klas opgegeven.

2. Bij proefwerken, repetities en werkstukken wordt van te voren aangegeven welk deel van de leerstof de leerling moet beheersen. Wanneer het maken van werkstukken, van wat voor soort ook, onderdeel is van het onderwijsprogramma en meetelt in het rapportcijfer, dan dient van te voren bekend te zijn aan welke normen een werkstuk moet voldoen, wanneer het gereed moet zijn en wat er gebeurt bij te Iaat inleveren.

3. De leerling heeft altijd het recht het gecorrigeerde werk in te zien.

4. De leerling heeft er recht op, dat het werk door de betreffende docent wordt besproken.

5. De schoolleiding en/of docenten zorgen ervoor dat de leerling regelmatig wordt ingelicht over de  schoolse resultaten en over de gronden waarop deze beoordeling berust.

6. Twee maal per jaar ontvangt de leerling een rapport waarin een overzicht wordt gegeven van de prestaties van de leerling voor alle vakken over een bepaalde periode.

7. Leerlingen hebben er recht op inzicht te krijgen in de wijze waarop cijfers voor een rapport tot stand komen.

8. De schoolleiding zorgt ervoor dat de leerling voldoende gelegenheid heeft raad te vragen en inlichtingen te ontvangen over de schoolvorderingen/schoolresultaten.

9. Indien de inlichtingen door de leerling en/of ouders onvoldoende worden geacht, of indien inlichtingen worden geweigerd, kan de leerling (of de ouder) de schoolleiding verzoeken een onderzoek in te stellen. Aan dit verzoek wordt zo spoedig mogelijk gevolg gegeven en van de resultaten worden de leerling en de ouders direct in kennis gesteld.

10. Indien de resultaten aanleiding geven tot het treffen van onderwijskundige maatregelen, die tot betere resultaten zouden kunnen leiden, worden deze met de leerling en zonodig met de ouders besproken.

11. Het bevoegd gezag, vertegenwoordigd door de directeur, is formeel eindverantwoordelijk voor het vaststellen van cijfers. De schoolleiding kan op grond daarvan, gehoord hebbende de betrokken docent(en), de leerling(en) en de ouder(s)/verzorger(s), op cijfers, waaronder rapportcijfers, revisie toepassen.

12. Verder gelden de volgende specifieke regels van de periodieke toetsing en

bevordering:

* een leerling mag slechts 1 proefwerk/repetitie per dag krijgen.

* praktijkvakken mogen wel praktisch toetsen naast een repetitie.

* in incidentele gevallen kan er naast een proefwerk of repetitie een andere toets

plaatsvinden als daar geen voorbereiding van de leerling wordt vereist (denk aan

luistertoets).

* de vorm van het proefwerk/repetitie moet van te voren duidelijk zijn (open

vragen,multiple choice vragen, praktijkopdrachten enz. )

* een volgend proefwerk/repetitie over hetzelfde onderwerp kan niet worden gegeven

voordat het vorige proefwerk/repetitie is besproken;

* de normen van beoordeling van een proefwerk/repetitie worden door de docent

meegedeeld en zonodig toegelicht;

* een docent moet een proefwerk/repetitie, behoudens overmacht, binnen twee

weken nakijken;

* wie betrapt wordt op fraude kan het cijfer 1 krijgen voor het gemaakte werk.

 


Hoofdstuk 4 Dagelijkse gang van zaken op school

 

Artikel 15 Aanwezigheid in lessen

1. De leerlingen zijn verplicht de lessen volgens het voor hen geldende rooster te

volgen. Vrijstelling van het volgen van lessen kan met inachtneming van de

wettelijke voorschriften slechts worden gegeven door de schoolleiding of de

leerplichtambtenaar.

2. De leerlingen dienen tijdig (voor de aanvang van de les) in of bij het leslokaal

aanwezig te zijn. Leerlingen die te Iaat zijn moeten zich melden bij een door de schoolleiding aangewezen functionaris. Bij herhaald te Iaat komen kunnen door of namens de schoolleiding disciplinaire maatregelen worden getroffen.

3. Indien een leerling verhinderd is de school te bezoeken wordt de school uiterlijk tien minuten voor de aanvang van diens eerste les in kennis gesteld door de ouders/verzorgers of, wanneer de leerling zelfstandig woont en/of meerderjarig is door de leerling zelf. Wanneer de reden van verhindering niet is gelegen in ziekte, moet aan de schoolleiding verlof worden gevraagd voor de afwezigheid.

4. De schoolleiding is, een maal per schooljaar, bevoegd om verlof te verlenen wegens "andere gewichtige omstandigheden" wanneer dit om niet meer dan 10 dagen per schooljaar gaat. Bij verlof voor meer dan 10 dagen moet goedkeuring worden gevraagd aan de leerplichtambtenaar.

5. Wanneer een leerling (tijdelijk) niet in staat is de lessen lichamelijke opvoeding te volgen moet dit schriftelijk, bij een situatie die langer dan 1 week duurt vergezeld van een daarop betrekking hebbende verklaring van een medicus, aan de schoolleiding worden gemeld door de ouders, of, als de leerling zelfstandig woont en/of meerderjarig is, door de leerling zelf.

6. Het beleid met betrekking tot disciplinaire maatregelen tegen ongeoorloofde afwezigheid (schoolverzuim) wordt door het bevoegd gezag vastgesteld. Een daartoe strekkend voorstel wordt aan de medezeggenschapsraad voorgelegd.

 

Artikel 16 Lesuitval

1. Lesuitval en tussenuren dienen zoveel mogelijk beperkt te worden.

2. Bij het uitvallen van lessen als gevolg van de afwezigheid van docenten wordt zo snel mogelijk aan de leerlingen bericht gegeven.

3. Leerlingen hebben het recht te worden opgevangen in de school in het geval van niet (tenminste de dag daarvoor) vooraf aangekondigde lesuitval.

 

Artikel 17 Lesvervangende en niet lesgebonden activiteiten

1. Onder Lesvervangende activiteiten wordt verstaan: activiteiten met verplichte

deelname ( die eventueel buiten het schoolgebouw kunnen plaatsvinden) en die naar aard en omvang redelijkerwijze geacht kunnen worden in de plaats te komen van de normale lessen en waarbij zowel de leerlingen als de docenten betrokken zijn.

2. Onder niet lesgebonden activiteiten wordt verstaan: activiteiten met vrijwillige

deelname die buiten de lesuren en binnen of buiten het schoolgebouw plaats vinden.

3. Het beleid ten aanzien van deze activiteiten wordt in het lesrooster dan wel in het schoolplan opgenomen.

4. De activiteiten kunnen worden georganiseerd door of namens de schoolleiding, de docenten, ouders en/of leerlingen.

5. De schoolleiding doet tijdig aankondiging van de activiteiten en geeft tevens aan bij welke de deelname verplicht is en wat de eventuele kosten zijn.

6. Leerlingen hebben recht op voldoende begeleiding van docenten bij niet lesgebonden activiteiten die door de schoolleiding zijn georganiseerd.

7. De schoolleiding stelt desgewenst en voor zover mogelijk ruimte beschikbaar voor door leerlingen of ouders georganiseerde niet lesgebonden activiteiten en zorg voor voldoende begeleiding binnen de feitelijke mogelijkheden van de school.

8. De leerlingen of ouders zijn verplicht de door hen in het kader van niet lesgebonden activiteiten gebruikte ruimten en materialen van de school opgeruimd achter te laten.

 

Artikel 18 Orde- en gedragsregels

Rechten

1. Leerlingen hebben het recht voorstellen te doen aan de schoolleiding of het bevoegd gezag over alle zaken die betrekking hebben op hun positie binnen de school.

2. Pauzes, vrije uren en tussenuren door lesuitval kunnen door de leerlingen

doorgebracht worden in de daartoe door de schoolleiding aangewezen ruimten.

3. De leerlingen hebben vrijheid van uiterlijk. Door de schoolleiding kunnen bepaalde kledingvoorschriften worden gegeven op grond van hygiëne- of

veiligheidseisen, of wanneer kleding en/of uiterlijk in strijd zijn met artikel 3 van dit statuut;

4. Voor de lessen L.O. gelden afwijkende voorschriften, die zijn door de docenten aan het begin van het schooljaar naar de leerlingen gecommuniceerd.

5. De leerlingen hebben recht op gelegenheid tot lichamelijke verzorging (toiletbezoek etc.), tijdens de lessen ter beoordeling van de docent

Plichten

1. Als een leerling naar het oordeel van de docent de voortgang van de les

verstoort, kan hij/zij verplicht worden de les te verlaten en zich bij de door de

schoolleiding daartoe aangewezen functionaris te melden.

2. Het is een uit de les verwijderde leerling verboden zonder voorafgaande

toestemming van de schoolleiding het schoolterrein te verlaten.

3. leder is verplicht de door hem/haar gebruikte ruimten opgeruimd achter te laten.

4. De leerling houdt zich op de terreinen en in de gebouwen van de school en bij

activiteiten die onder de verantwoordelijkheid van de school vallen aan de

voorschriften die op de school gelden, zoals die vermeld staan in de schoolgids .

5. De specifieke orde- en gedragsregels gelden, zoals in de schoolgids vermeld.

 


Artikel 19 Schade

1. Ten aanzien van de aansprakelijkheid bij door of aan leerlingen toegebrachte schade gelden de hierop betrekking hebbende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.

2. De ouders van een leerling of de meerderjarige leerling die schade heeft veroorzaakt, worden daarvan door of vanwege de school in kennis gesteld.

3. Tegen een leerling die opzettelijk schade toebrengt aan het schoolgebouw,

eigendommen van de school of eigendommen van derden, kunnen door de

schoolleiding disciplinaire maatregelen worden getroffen, die geen invloed hebben op de wettelijke aansprakelijkheid. .

 

 


Hoofdstuk 5 Strafmaatregelen

 

Artikel 20 Straffen

1. Tegen handelingen van de leerlingen in strijd met de voorschriften die binnen de school gelden, kunnen disciplinaire maatregelen worden getroffen.

2. Er moet een redelijk verband bestaan tussen de aard en zwaarte van de opgelegde straf en de overtreding waarvoor deze straf wordt opgelegd.

3. De volgende straffen, opklimmend in zwaarte, kunnen aan leerlingen worden

opgelegd:

* een waarschuwing;

* een berisping;

* het verrichten van strafwerk thuis;

* het verrichten van strafwerk in vrije tijd, op school;

* het ontzeggen van de toegang tot bepaalde lessen voor een korte tijd;

* interne schorsing van maximaal 1 dag;

* schorsing, langer dan 1 dag, die gemeld wordt bij de Inspectie voor het VO;

* definitieve verwijdering.

4. Bij het ontzeggen van de toegang tot bepaalde lessen wordt altijd de schoolleiding zo      snel mogelijk op de hoogte gesteld.

5. Zwaardere straffen kunnen alleen door de schoolleiding worden opgelegd, conform de daarvoor geldende wettelijke regels

6. Regeling bij verwijdering uit de les:

* de leerling meldt zich bij de daartoe aangewezen functionaris en verricht een lesvervangende activiteit;

* aan het eind van het lesuur meldt de leerling zich weer bij de docent;

 

Artikel 21 Procedure toelating reizen en excursies

*De reisleiding stelt criteria tot al dan niet toelaten voor de reis in concept op, zo snel mogelijk na de start van het schooljaar

*De reisleiding bespreekt deze criteria met de directeur

*De directeur stelt de criteria formeel vast

*Bij verschil van mening tussen reisleiding en directeur over de criteria neemt het managementteam in deze een bindende beslissing

*De reisleiding communiceert de criteria ruim vooraf naar de leerlingen en ouders

*Bij opgave voor een reis (of excursie) worden datum (evt. tijd) en daarmee volgorde van opgave vastgelegd

*Indien de reisleiding een leerling op grond van de criteria niet toelaatbaar acht, bespreekt de reisleiding dit met de mentor

*Alle leerlingen die de reisleiding niet toelaatbaar acht (punt 7) worden in een lijst, vergezeld met de visie van de mentor, tezamen met de bij 6 bedoelde lijst gemeld bij de directeur

*De directeur neemt per individueel geval een besluit

*Bij verschil van mening tussen reisleiding en directeur over een leerling neemt het managementteam een bindende beslissing

*De directeur bericht het besluit schriftelijk en mondeling gemotiveerd naar de ouders en mondeling naar de leerling.

*Communicatie van het besluit dient tenminste een maand voor de reis/excursie te zijn geschied.

 

*Ouders kunnen bezwaar maken bij de directeur, waarna hij/zij alle genoemde betrokkenen 'hoort op bezwaar' en een bindende uitspraak doet.

 

In bijzondere situaties kan van deze procedure en de daarin genoemde termijnen worden afgeweken. In deze gevallen communiceert het management het besluit schriftelijk en mondeling gemotiveerd naar de ouders en mondeling naar de leerling.

Artikel 22 Schorsing

1. De schoolleiding kan een leerling met opgave van redenen voor een periode van ten hoogste 5 dagen schorsen.

2. Een leerling kan zowel intern als extern worden geschorst. Bij een interne schorsing krijgt de leerling zinvol werk opgedragen, zo mogelijk in pedagogisch opzicht aansluitend bij de reden voor de schorsing.

3. Het besluit tot schorsing dient met opgaaf van redenen schriftelijk te worden  mee- gedeeld aan de leerling en indien deze minderjarig is ook aan de ouders. Dit besluit    wordt niet algemeen bekend gemaakt.

4. Bij schorsing voor een periode langer dan 1 dag, dient de schoolleiding hiervan de Inspectie met opgave van redenen in kennis te stellen.

5. Het beleid ten aanzien van schorsing van leerlingen wordt in het schoolplan

opgenomen.

 

Artikel 23 Definitieve verwijdering

1. Algemene gronden van definitieve verwijdering zijn:

* het bij herhaling overtreden van de voorschriften van de school;

* het zich schuldig maken aan ernstig wangedrag.

2. Het bevoegd gezag kan slechts besluiten tot definitieve verwijdering van

een leerling, nadat deze, en indien deze minderjarig is ook de ouders, in de

gelegenheid is c.q. zijn gesteld hierover te worden gehoord.

3. Definitieve verwijdering van een leerling op wie de leerplichtwet 1969 van

toepassing is, geschiedt slechts na overleg met de Inspectie en vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag getracht heeft een andere school, dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c van de leerplichtwet 1969 te vinden die bereid is de leerling toe te laten binnen een termijn van 8 weken.

5. Het bevoegd gezag stelt de inspectie schriftelijk en met opgave van

redenen van een definitieve verwijdering in kennis.

6. Een besluit tot definitieve verwijdering wordt schriftelijk en met opgave van redenen aan de betrokkene en, indien deze minderjarig is ook aan de ouders, bekend gemaakt. Daarbij wordt gewezen op de mogelijkheid te verzoeken om herziening van het besluit. Dit besluit wordt niet algemeen bekend gemaakt.

7. Binnen vier weken na dagtekening van de mededeling betreffende definitieve

verwijdering kan door de leerling en, wanneer deze minderjarig is ook door de

ouders, schriftelijk worden verzocht om herziening van het besluit.

8. Zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het

verzoek, neemt het bevoegd gezag na overleg met de Inspectie en

desgewenst andere deskundigen een beslissing op het verzoek om herziening. Daarbij geldt de eis dat eerst de leerling, en wanneer deze minderjarig is ook de ouders, in de gelegenheid is c.q. zijn gesteld te worden gehoord en kennis heeft c.q. hebben kunnen nemen van de op het besluit betrekking hebbende adviezen of rapporten.


 

9. Gedurende de behandeling van het verzoek om herziening van een besluit tot

definitieve verwijdering kan het bevoegd gezag de betrokken leerling de

toegang tot de school ontzeggen.

10. Een leerplichtige leerling mag slechts worden uitgeschreven als leerling van een school, wanneer deze leerling elders is ingeschreven of van de leerplicht is vrijgesteld. Bij niet-leerplichtige leerlingen heeft het bevoegd gezag een

inspanningsverplichting tot het doen inschrijven van de leerling op een andere school.

Hoofdstuk 6 Rechtsbescherming

Artikel 24 Klachtrecht

a. Klachtrecht bij schoolleiding.

1. De leerling die rechtstreeks in zijn of haar belang is getroffen door handelingen of besluiten van een medeleerling of een lid van het personeel, heeft het recht de directeur te verzoeken een voorziening terzake te treffen.

2. Het verzoek bedoeld in het vorige lid wordt schriftelijk en met redenen omkleed bij de directeur ingediend, binnen een termijn van een week, te rekenen vanaf het moment waarop de handeling is verricht of het besluit is genomen.

3. Voordat de directeur een beslissing neemt over het verzoek, worden de betrokkenen gehoord.

4. De directeur neemt binnen veertien dagen na ontvangst van het verzoek een beslissing. Als het onmogelijk is binnen die termijn een beslissing te nemen, stelt hij/zij de betrokkene hiervan, met redenen omkleed, schriftelijk in kennis.

5. Van de beslissing op het verzoek en de aard van de eventuele voorziening worden de betrokkenen schriftelijk op de hoogte gebracht. De beslissing is met redenen omkleed.

b. Klachtrecht bij het bevoegd gezag.

1. De leerling die rechtstreeks in zijn of haar belang is getroffen door handelingen of besluiten van de schoolleiding, heeft het recht het bevoegd gezag te verzoeken een voorziening terzake te treffen.

2. De leden 2 t/m 5 van art. 24a zijn van overeenkomstige toepassing.

c. Opschortende werking.

1. Een leerling kan een verzoek, als bedoeld in het eerste lid, in spoedeisende gevallen vergezeld doen gaan van een verzoek tot opschorting van de uitvoering van een besluit tot het moment waarop de beslissing van de directeur is genomen.

2. De directeur bepaalt of dit verzoek redelijk is en maakt de beslissing hierover zo spoedig mogelijk en met redenen omkleed aan de betrokkenen bekend.

d. Bezwaar

1. Een leerling kan tegen een besluit van de directeur bezwaar aantekenen bij het bevoegd gezag.

2. Een bezwaar dienst schriftelijk te worden ingediend, uiterlijk drie weken nadat het besluit naar de leerling is gecommuniceerd.

3. Alvorens een besluit op bezwaar te nemen hoort het bevoegd gezag de betrokkenen 4. Het bevoegd gezag neemt een besluit op bezwaar uiterlijk veertien dagen na indiening van het bezwaar.

 

Artikel 25 Beroepsrecht

a. Commissie van beroep.

1. Aan de school kan indien nodig een Commissie van Beroep worden ingesteld. De Commissie van Beroep oordeelt over de door leerlingen ingestelde beroepen.

2. De commissie heeft drie leden en drie plaatsvervangende leden, waaronder de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter .

3. De commissie heeft het recht alle voor haar noodzakelijke informatie betreffende een beroep op te vragen.

4. Op voorstel van de Commissie van Beroep stelt het bevoegd gezag een

huishoudelijk reglement vast waarin de werkwijze van de commissie nader wordt geregeld.

b. Beroepsrecht.

1. Een leerling die rechtstreeks in zijn of haar belang is getroffen door besluiten van het personeel, de schoolleiding of het bevoegd gezag met betrekking tot

inhoudelijk bij of krachtens dit leerlingenstatuut geregelde aangelegenheden, kan hiertegen rechtstreeks beroep aantekenen bij de commissie van beroep.

2. Een leerling kan tevens beroep aantekenen tegen beslissingen van de directeur of bevoegd gezag, als bedoeld in artikel 22 of 24d, indien en voor zover deze betrekking hebben op bij of krachtens dit leerlingenstatuut geregelde aangelegenheden.

3. Het aantekenen van beroep is niet mogelijk tegen die aangelegenheden die in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift inhoudelijk zijn geregeld.

4. Indien en voor zover dit in redelijkheid mogelijk is, wordt het besluit waartegen

beroep is aangetekend niet uitgevoerd, hangende de uitspraak van de Commissie van Beroep. De leerling moet hier wel om vragen, tegelijkertijd met de indiening van het beroep. De Commissie van Beroep beslist hierover zo spoedig mogelijk en deelt de beslissing met redenen omkleed aan de betrokkenen mede.

c. De instelling van een beroep.

1. Het beroep wordt schriftelijk en met redenen omkleed bij de commissie van beroep ingediend binnen een termijn van twee weken, te rekenen vanaf het moment waarop het besluit naar de leerling is gecommuniceerd.

2. Alvorens het beroep daadwerkelijk in behandeling wordt genomen, onderzoekt het commissie of het mogelijk is alsnog tot een minnelijke schikking te komen. De commissie doet binnen een maand na ontvangst van een beroep een uitspraak.

3. De betrokkenen hebben recht op inzage van de stukken die betrekking hebben op het ingestelde beroep.

d. De zitting

1. De commissie bepaalt op een zo kort mogelijke termijn de plaats en het tijdstip waarop de behandeling van het beroep zal plaats vinden. De betrokkenen worden hiervan in kennis gesteld.

2. De betrokkenen zijn niet verplicht te verschijnen op de zitting. Zij kunnen zich laten vertegenwoordigen door daartoe schriftelijk door hen gemachtigden. De commissie kan desgewenst toestaan dat de betrokkenen ter zitting gebruik maken van de hulp van anderen ofwel getuigen en deskundigen ter zitting meebrengen. Een daartoe strekkend voorstel dient uiterlijk vier dagen voor de zitting schriftelijk aan de commissie gedaan te worden.

3. De commissie van beroep kan zelf ook getuigen of deskundigen oproepen.

4. Over de openbaarheid van de zitting beslist de commissie.

e. De uitspraak.

1. De uitspraak van de commissie is bindend voor de betrokkenen, behoudens het bepaalde in lid 2.

2. De uitspraak van de commissie wordt met redenen omkleed aan de betrokkenen bekend gemaakt. In gevallen waarin de schoolleiding of het bevoegd gezag geen direct betrokkene bij het beroep zijn, wordt de uitspraak ook aan hen bekend gemaakt.

3. Het bevoegd gezag kan de uitspraak van de commissie van beroep

onverbindend verklaren en vervangen door een ander besluit, indien deze uitspraak in strijd is met de wet dan wel zich niet verdraagt met bij of krachtens de wet aan het bevoegd gezag opgedragen taken en verantwoordelijkheden. Het bevoegd gezag maakt dit binnen twee weken na ontvangst van de uitspraak met redenen omkleed schriftelijk aan de betrokkenen en de commissie van beroep bekend.

 

 

Artikel 26 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2013 en kan worden

aangehaald als: Leerlingenstatuut De Sprong 2013-2015.

 

 

Praktijkschool De Sprong,

namens deze,

 

C.Asscheman, directeur.